Geschiedenis van de Vlaai

De oorsprong van de vlaai ligt waarschijnlijk bij de Germanen.
Men bakte toen brood door een steen te verhitten en hierop een dikke meelbrij uit te smeren.
De steen werd eerst met vet ingesmeerd om aanbakken van het deeg te voorkomen. Om dit geheel smakelijker te maken werd de deeglap ingekerfd, en werd er honing opgegoten of vruchtensap. Dit “gebak” heette vladel.
In de oude Duitse historie vindt men de vlaai terug als offerbrood, bedekt met vruchtensap of honing. In de kloosters ook bedekt met vijgen, die in de kloostertuinen werden geteeld.
In de Duitse literatuur vindt men het zogenaamde vladehus, hier werden vlaaien bereid en door de priesters gewijd, o.a op eerste Paasdag. Iets van dit vlaaienoffer bleef bewaard in de kappellekeskermis te Mechelen, ter viering van het hoogfeest van Maria Boodschap.In Nederland is de vlaai alleen algemeen gebruikt in Limburg. In de woordenlijst uit het Valkenburgs plat staat vlaai beschreven als, zogenaamde platte ronde broodkoek belegd met fruit of rijstebrij.
Reeds in 1338 is de familie Vladbecker bekend. In het buitenland vinden wij vlaai of varianten hiervan in Duitsland o.a. in Beieren, in Oostenrijk, Frankrijk, en Belgie.
Veel verschillende namen zijn hiervoor in gebruik:
in Zwaben en Beieren “Zelten” en in Oostenrijk “Flecke” elders weer “Flarren” of “Platz”.
In het aangrenzende Walenland ook algemeen voorkomend onder de namen van “Tarte aux riz”(rijstevlaai) “Tarte aux sukre” (suikervlaai) “Tarte aux cerejes” (kersenvlaai) “Tarte aux prunes” (pruimenvlaai) “Tarte aux abrucots (abrikozenvlaai) “Tarte aux caclindjes” (bosbessenvlaai) “Tarte aux gruzales”(kruisbessenvlaai).
Een enkele keer worden deze ook aangeduid met de ouderwetse, aan onze Limburgse vlaai herinnerend, benaming van “Flamitche”.
Dan zijn er ook nog in het Luikerland de “tartes a trejis”, taarten bedekt met een netwerk van kleine reepjes deeg, die we in Limburg met “Lodderkesvlaai” (laddertjesvlaai) betitelen en ook wel plaatselijk “Ludderkes-toert” heten.
Ook in Zwitserland is de vlaai sedert onheugelijke tijden als Paasgebak algemeen bekend en Paaszondag heet er in verschillende kantons “FladenSuntig”. Elders werden de vlaaien in de kerkelijke ceremonien opgenomen en men kent zelfs omstreeks Pasen vlaaienprocessen.
Zo torsen twee jongens op een draagbaar op Paaszondagmiddag twee grote vlaaien midden tussen de rijen biddende mensen der “Vladen-Prozession” van Geraldshofen in Unter Franke.
Te Mainz werd op de 22e juni bij de St-Stefanskerk de “Batzenkuchen-Prozession” gehouden.
Deze ontleent haar naam aan de “Batzen”, d.i. een gebak ter waarde van 12 Pfennig, dat de vorm heeft van een Paasvlaai. Ook wordt hier en daar nog om dergelijke offerkoeken geloot of gevochten, zoals we dat in gewijzigde vorm ook eens kenden te Geleen, Lutterade, Krawinkel en Strampoy bij het uitwerpen van het z.g. Kerstbroodje.Wanneer men de Limburgseheemkalender doorbladert, dan ziet men dat vrijwel elke zondag in het jar ergens in een stad of dorp van ons heem kermis is. Praktisch iedere plaats had van oudsher twee kermissen, eerst de Bronkkermis en dan de Winterkermis.
Meestal richtte ze zich naar het feest van de plaatselijke heilige enerzijds, terwijl, zeker in de dorpen die voorheen Staats waren, daarnaast ook nog de zogenaamde Hollandse kermis gevierd werd op de zondag na Sint-Maarten (11 november)
Dan werd een baksel tarwe van 20 kilo naar de molen gebracht en wanneer die gemalen en gebuild was, kon het bakken beginnen. In de trog werd bloem met warm melk, eieren, zout, suiker en gist gemengd, terwijl intussen de “spijs” werd gekookt: appels, pruimen, kruisbessen, kersen en niet te vergeten rijst, de laatste met pijkaneel. Waren de eieren zeldzaam of duurder, dan kwam er een busje saffraan voor in de plaats, zo groot als een vingerhoed, dat gaf een aparte smaak en ook een mooir kleur. Als het deeg genoeg gerezen was, werd het verdeeld in brokken, die werden dan uitgerold met de vlaairol en op de vlaaiplaten gelegd, die van te voren met raapolie waren ingesmeerd. Wie vlaaiplaten tekort kwam, wist er wel een paar te lenen bij buren of familie. Om ze terug te kennen werd met krijt eerst de letter van de naam van de eigenaar aan de onderkant gezet. Voordat de spijs op de vlaaien kwam, werden de deegbodems met een vork geprikt om te voorkomen dat er blazen op zouden komen. Wat van de spijs overbleef mocht door de kinderen uit de ketels worden geschraapt waarbij de rijst, al dan niet wat aangebrand, de voorkeur had.
Dan werden de mikken (suikerbroden) gevormd en bleef er daarbij wat deeg over, dan een appelbol (krollebol of krollemol) gemaakt voor de kinderen. Inmiddels was het bakhuis (bakkes), dat buiten op het erf stond, warm geastookt met schansen (takkebossen) afkomstig van een hoop boshout, waar de bonestaken en erwtentakken van te voren waren uitgehaald.
Was de oven heet genoeg dan werd de as met behulp van papiertjes, die geel en naderhand bruin werden door de hitte, werd de temperatuur gekontroleerd. Eerst de mik die een warme oven nodig heeft, dan de vlaai die niet zo lang hoeft te bakken.
De vlaaien werden op tenen onderleggers (haortjes) eerst buiten, dan in de kelder gelegd. Kermiszondag kwam een en ander omstreeks koffietijd op tafel. Ooms en tantes, vrienden en gasten, dikwijls van ver gekomen, zaten rondom. Het best servies werd uit de kast gehaald en opp de grootste koffiekan kwam een lood koffie extra.
Voordat de vlaaien in acht stukken werden verdeeld, werd er poedersuiker over gestrooid en het was een lust voor het oog de baksels op het beste tafellaken te zien staan; rood og groen, gel of zwart. Dan deed men zich te goed en werd het baksel geprezen, “dun va laer en diek va sjmaer” (dun van deeg en dik van spijs), dat men tweemaal per jaar onder de neus kreeg.
Jet laatst kwam de “taart”, een laddertjesvlaai vanwegen de deegrepjes over de spijs. Als dan na drie dagen kermis heel het gamma van vlaaien op was, aasden de kinderen op een overgebleven korst, die beboterd was, hen nog goed kon smaken want ze wisten:
Niks zoe lekker in ‘t land
Es botter op ne vlaaienkant.
Later werd het bakken van vlaai bij de plaatselijke bakker uitbesteed. Bij de grote bronk werd de ovenkare boam spies op ladders of met een taartenwagen naar de bakker gebracht. Er werden minstens 30 vlaaien gebakken, maar ook 50 of meer was niet vreemd.
Bij een schutterskoningsfeest liep dit aantal wel op tot 100. Zoals bijvoorbeeld bij de St-Sebastianusschutterij in Gronsveld, waar voor de plechtige koningsmei van 1939, 209 vlaaien werden gebakken. In den vasten daarentegen werd alleen de zogenaamde vastenvlaai gegeten. Dit is zwarte pruimenvlaai die de neiging heeft om erg te schimmelen. er werd dan ook wel eens aan een kaalhoofdige zo’n geschimmelde vlaai aangeboden.
Na de vasten, dus op eerste Paasdag, werd dan de witten paasvlaai gegeten.Dit is een echte Limburgse tractatie.

Ingredienten:
300 gram bloem, 20 gram gist, 20 gram suiker, 2,5 deciliter melk, 150 gram boter.
Ingredienten vulling: 1 liter rijstepap, 3 eieren, 150 gram basterdsuiker.

Maak van deze grondstoffen een soepel deeg, voeg de zachte boter als laatste toe.
Leg het deeg in een doek en laat dit 15 a 20 minuten rijzen, deeg plat slaan zodat alle lucht er uit is en nu uitrollen en in de ingevette vlaaiplaat leggen.
Eieren splitsen; eigeel bij de pap voegen; eiwit stijf kloppen met basterdsuiker; mengen.
Oventemperatuur van 200-250 C

baktijd 20-25 minuten.

Bronvermelding:
Smulweb / J.P.J vd Berg, juli 2002

Opt In Image

Laatste updates ontvangen? Schrijf u Gratis in: